Turbulente tijden in Yogya

Door: Paul Baro (1941)

Bersiaptijd 

De dag dat mijn vader uit het Jappenkamp thuis kwam in augustus 1945 herinner ik mij als de dag van gisteren. Ik herkende hem uiteraard niet. Bovendien zat hij onder de schurft en als vierjarig knaapje vond ik het wel eng om naar hem toe te komen. Gelukkig herstelde pa snel van de gevolgen van ondervoeding en mishandeling en kon hij als bedrijfsleider bij Minerva, een limonadefabriek, aan de slag.
Kenmerkend voor de tijd vlak na de capitulatie van Japan, de bersiap-tijd, was de anti-Nederland houding van de bevolking. In het begin verliep deze periode redelijk rustig. Toch adviseerden Indonesische vrienden ons de Indonesische nationaliteit aan te nemen. Op een gegeven moment kon je op straat worden aangehouden door met bambu-speren gewapende jonge strijders (pemuda’s) die om een identiteitsbewijs vroegen. Het was van levensbelang om dan een surat keterangan (verklaring) te tonen dat je Warga Negara (Indonesier) was. Uit zelfbehoud werd pa derhalve toch maar Warga Negara. De Nederlands identiteitspapieren werden uiteraard zorgvuldig bewaard voor betere tijden.

Opmaat naar de Republiek Indonesia

Gezien de betrekkelijke rust besloot pa om bij de geboorte van mijn jongere broer in 1947 een traditionele wayangvoorstelling te houden. Vrienden, kennissen en een aantal 'notabelen' van de aangrenzende kampong woonden het feest bij. Onder het genot van nasi kuning en andere lekkernijen verliep het feest tot diep in de nacht in goede sfeer. 
Helaas werden wij niet lang daarna openlijk bedreigd. "Belanda bangsat" (Nederlandse schurk) en “bunuh belanda semua” (vermoord alle Nederlanders) kregen wij op straat vaker te horen. Nadat Nederlandse vliegtuigen met enige regelmaat over de stad vlogen en pamfletten strooiden met waarschuwingen om niet de zijde van de Republikeinen te kiezen verslechterde de situatie aanmerkelijk.

De vlucht uit Yogya begin 1948

Ondanks dat Indonesische vrienden en kennissen ons in bescherming namen, begonnen mijn ouders zich grote zorgen te maken toen ze hoorden dat Indische families werden vermoord. Pa kocht voor eventualiteiten een jachtgeweer maar uiteindelijk werd toch besloten om naar veilig Oost-Java te vertrekken. Onze bezittingen inclusief het vee (koe, paard, geit, kippen en duiven) werden verkocht of weggegeven.
In de nacht voor ons vertrek werd ook nog ingebroken in onze gudang (schuur). Pa ging gewapend met geweer naar buiten waar hij bij de schuur de inbreker aantrof. Het bleek iemand uit de kampong achter ons te zijn. Hij had de bedden die in de schuur lagen nodig. Pa was het zat en zei de man de spullen mee te nemen en niet meer terug te komen.

Die ochtend werden we bij het treinstation opgewacht door met bambu-speren gewapende pemuda’s die ons uiteindelijk door lieten. Ongedeerd stapten we op de trein, die laat in de middag stopte. Te voet gingen we verder om in een dorp te overnachten. De volgende ochtend vroeg ging het wederom te voet verder naar Jombang. Ma was in verwachting van het derde kind maar liep met haar dikke buik dapper door. Het dragen van mijn broertje wisselden pa en ma met elkaar af. Uiteindelijk arriveerden we bij de Nederlandse post in Jombang. Na uren wachten gingen we in een open vrachtwagen onder gewapende escorte naar opvangkamp Juliana in Surabaya. Dit was ook geen feestje, maar wij voelden ons veilig in door het Nederlands leger gecontroleerd gebied.

De volgende dag verhuisden we naar het huis van oom Johan waar we bleven tot pa, op voorspraak van oom Johan, magazijnmeester bij de G.G.D. werd en wij naar een dienstwoning konden verhuizen. Destijds totaal niet vermoedend dat we ooit nog eens, opnieuw berooid, naar het verre Nederland moesten repatrieren.