Aankomst in Nederland

Door: Paul Baro (1941)

Nou, daar sta je dan aan de reling van de Johan van Oldenbarnevelt, enigszins beduusd van het grauwe uitzicht, te kijken over de kade van IJmuiden. Mensen in lange winterjassen zwaaien naar bekenden aan boord en andere mensen lopen druk heen en weer. We stappen via de loopbrug aan wal, waar verschillende mensen ons opwachten met bordjes waarop bestemmingen staan als Groningen, Breda, Valkenburg, etc.
‘Ajo, allemaal de koffers bij de chauffeur van de Valkenburg-bus afgeven en gauw de bus in’, zegt pa. Ma, mijn broers en ik geven daar snel gevolg aan, want we hebben het koud. Het is eind december 1957 en er waait een kille wind over de kade.

Vaarwel

Drie weken eerder gingen we in Jakarta aan boord om de reis naar Nederland te maken. Toen stonden we ook aan de reling, alleen keken we toen naar de tropisch warme kade van Tanjung Priok.
Het was zonnig en levendig aan wal. Heel wat fleurig geklede vrienden en familie zwaaiden naar de passagiers. Ook werden er serpentines naar elkaar gegooid om zo lang mogelijk met elkaar verbonden te zijn.
De stemming van de mensen aan boord en aan wal was gemengd. Sommige dames veegden tranen met een zakdoek weg. Anderen, voornamelijk de mannen hielden zich flink met grappen en macho opmerkingen. En ik? Ik was stil en dacht: dit is nu het definitieve afscheid van mijn geboorteland. Probeer dit moment te onthouden en de herinnering voor altijd te bewaren. Hier komen we nooit meer terug! Vaarwel mijn geliefd Java, vaarwel HBS en vrienden, vaarwel jeugd en alle mooie en minder mooie herinneringen.

Brede broekspijpen

Pa, ma, mijn drie broers en ik zitten twee aan twee achter elkaar aan de rechter zijde van de bus. De bus zet zich in beweging, op weg naar Valkenburg aan de Geul in Limburg. Het is een lange, saaie rit waarbij ik vooral kijk naar hoe de jongelui gekleed zijn. Met name de lange broeken van de jongens zijn voor mij een belangrijk item. De jongens dragen overwegend donkere broeken met eenniet te brede broekspijp. Daaroverheen een lange wollen jas en, om het af te maken, een sjaal om de nek.

Zelf heb ik enkele dagen geleden een paar wollen pantalons met brede pijpen moeten accepteren van de functionaris die belast was met de kledinguitgifte. ‘Nee, smallere pijpen hebben we niet en ja dat die broek jeukt, daar moet je maar aan wennen’. Ik voelde me voor aap lopen in die gekke broeken. Dat wordt er niet beter op nu ik zie hoe de jongelui hier gekleed gaan. Mijn jongere broers hebben er helemaal de pest in, want die moeten gekleed in ‘drollevangers’. Net als Dik Trom rondhuppelen. Ook geen lolletje hoor!

In pension

Pa en ma kijken zwijgend, enigszins bedrukt, voor zich uit. Bolle, mijn oudste broer, is de enige die opgewekt en nieuwsgierig de omgeving in zich opneemt. Na een paar uur dommelend te hebben doorgebracht, rijden we eindelijk Valkenburg (wat een dorp zeg!) binnen. De bus stopt voor hotel Walram Germania op het Walramplein. Tjonge, tjonge, dit is beslist geen Oranje Hotel in Surabaya, denk ik, en zwijg. De koffers worden in ontvangst genomen, en vervolgens gaat de meute naar de ‘lobby’ om te worden geregistreerd door de heer De la Hey, de hotellier in hoogst eigen persoon.

Na alle formaliteiten kunnen we naar de kamers op de tweede etage. Pa en ma slapen in de eerste kamer direct bij de trap en mijn broers en ik in de tweede kamer. Er staan twee stapelbedden, een tafeltje met twee stoelen, een kast en een wasbak. Het raam kijkt uit op een stroompje (dat later de Geul blijkt te zijn! Daar had ik mij tijdens de aardrijkskundeles in Indonesië toch wel een andere voorstelling van gemaakt.) Aan de muur hangt het huisreglement. Elke etage heeft een toilet en een badklamer op de gang. Het toilet is altijd open, maar de badkamer zit op slot en wordt eens per week (!!) opengesteld. De sleutel dient te worden gehaald bij de receptie lezen wij in het reglement. Dat is wel even slikken. Van dagelijks twee of drie keer douchen in Indonesië naar eens per week douchen is een hele omschakeling voor ons. ‘Wah, dat is toch jorok (vies)’, zegt Bolle.
Dan begrijp ik pas de uitdrukking belanda kèpèt (ongewassen Hollander)!

Waterige soep

Omstreeks zes uur kondigt een stem op de intercom op de gang aan dat we beneden worden verwacht voor het avondeten. We nemen plaats aan een lange tafel waar het eten wordt opgediend. Het voorgerecht bestaat uit een waterige groentesoep gevolgd door het hoofdgerecht: gekookte aardappels, rauwe andijvie bestrooid met uiensnippers en azijn, bruine vleesjus en één gehaktbal. We mogen aardappels en groente bijhalen, maar helaas geen extra gehaktbal. Als nagerecht krijgen we pudding. Al met al beslist niet slecht, vinden we. Maar pa krijgt rond een uur of tien wel weer trek. Jammer dat er geen tukang sate te vinden is op straat! (Overigens vinden pa en ma daar later een oplossing voor in de vorm van een elektrische kookplaat. Deze gebruiken we illegaal op de kamer om overdag eten te koken en dat ’s avonds op te warmen.)

Vermoeid na deze eerste kennismaking met ons vaderland, waar we veel feiten van weten, maar nooit eerder geweest zijn, gaan we redelijk vroeg naar bed. De eerste dag van ons nieuwe bestaan zit erop.

 

 

In de tuin van hotel Walram Germania: Bolle Keimling, Dientje Schulz en Paul Baro